Top Banner
Beestachtig goede verhalen Drie korte Urban Fantasy-verhalen van Ilona Andrews, Patricia Briggs en Sharon Hallmanns … inclusief alvast een sneak preview van Witte kaarten, het vijfde boek over de Anderen van Anne Bishop! De Fontein
155

Beestachtig goede verhalen - Uitgeverij De Fontein · 2017-06-01 · Beestachtig . goede verhalen . Drie korte Urban Fantasy-verhalen van . Ilona Andrews, Patricia Briggs . en Sharon

Feb 23, 2020

Download

Documents

dariahiddleston
Welcome message from author
This document is posted to help you gain knowledge. Please leave a comment to let me know what you think about it! Share it to your friends and learn new things together.
Transcript
  • Beestachtig

    goede verhalen

    Drie korte Urban Fantasy-verhalen van

    Ilona Andrews,

    Patricia Briggs

    en Sharon Hallmanns

    … inclusief alvast een sneak preview van Witte kaarten,

    het vijfde boek over de Anderen van Anne Bishop!

    De Fontein

  • Ilona Andrews – Rozengeur en manezwijn

    Oorspronkelijke titel Of Swine and Roses

    Vertaald en uitgegeven met toestemming van Ilona Andrews, in samenwerking met

    het Nancy Yost Literary Agency.

    Copyright © 2009 Ilona Andrews

    Copyright © 2017 voor deze e-bookuitgave: Uitgeverij De Fontein, Utrecht

    Vertaling Lia Belt

    Patricia Briggs – Davids ster

    Oorspronkelijke titel The Star of David

    Vertaald en uitgegeven met toestemming van Hurog, Inc, in samenwerking met

    Lennart Sane Agency AB

    Copyright © 2008 by Hurog, Inc

    Copyright © 2017 voor deze e-bookuitgave: Uitgeverij De Fontein, Utrecht

    Vertaling Willeke Lempens

    Sharon Hallmanns – De doos van Pandora

    Copyright © 2016 Sharon Hallmanns

    Copyright © 2017 voor deze e-bookuitgave: Uitgeverij De Fontein, Utrecht

    Anne Bishop – Leesfragment Witte kaarten

    Oorspronkelijke titel Etched in Bone

    Oorspronkelijke uitgever ROC, an imprint of New American Library, a division of

    Penguin Group (USA) LLC

    Deze uitgave kwam tot stand in samenwerking met Lennart Sane Agency AB

    Copyright © 2017 Anne Bishop

    Copyright © 2017 voor deze e-bookuitgave: Uitgeverij De Fontein, Utrecht

    Vertaling Valérie Janssen

    ISBN 9789026143533

    ISBN e-book 9789026143540

  • Over Ilona Andrews

    Ilona Andrews is het pseudoniem van schrijversechtpaar

    Ilona en Gordon. Ze wonen met hun kinderen, honden en

    paarden in Texas. Hun boeken Op de grens en Tussen twee

    vuren spelen zich af in De Grens, de dunne reep land die de

    scheidslijn vormt tussen onze wereld en zijn magische te-

    genhanger.

    ‘Rozengeur en manezwijn’ is een kort verhaal over een

    varken, een meisje, wat magie en de meest verschrikkelijke

    eerste date ooit.

  • 3

    Rozengeur en manezwijn

    Alena haalde diep adem. ‘Ik ga niet met Chad Thurman uit.’

    Er viel een oorverdovende stilte in de eetkamer. Haar

    moeder kreeg een peinzende uitdrukking op haar gezicht.

    Ongetwijfeld was ze al overtuigende, logische en gewichtige

    argumenten ten gunste van de date aan het bedenken. Voor

    Alena’s moeder was een ‘nee’ gewoon een ‘ja’ dat wel zou

    komen als je maar even naar haar luisterde.

    Tante Ksenia, die naast haar moeder zat, keek haar vol

    afgrijzen aan. Dat was geen verrassing. Bij tante Ksenia

    draaide alles om plicht aan de familie. Vanuit die hoek viel

    geen steun te verwachten.

    Staand achter Ksenia’s stoel keek neef Boris naar het

    gezicht van zijn moeder, en vervolgens paste hij zijn eigen

    gezichtsuitdrukking aan tot een masker van neerbuigende

    afkeuring. Als hij het ooit voor elkaar kreeg om zelf na te

    denken, zou hij waarschijnlijk spontaan buiten westen

    raken.

    Alena keek over de tafel. Haar oudere zus Liz leek

    verontrust; ze beet op haar onderlip. Haar man Vik vond

    de situatie kennelijk nogal komisch, want zijn mondhoeken

    kropen omhoog in een half onbewuste glimlach. Alena

    zette zich mentaal schrap en keek naar haar vader, die tegen

    de muur geleund stond. Alexander Koronovs ogen gaven

    heel duidelijk aan dat hij niet blij was. Het was alsof ze

    recht in een storm staarde.

    ‘Je...’ begon Ksenia.

  • 4

    Maar haar moeder stak een hand op. ‘Waarom niet?’

    vroeg ze rustig.

    Alena wist precies wat er nu zou komen: al haar pro-

    testen zouden worden ontmanteld als een oude klok die

    radertje voor radertje uit elkaar werd gehaald. Maar ze had

    geen keus. Ze moest in elk geval probéren zich hiertegen te

    verzetten. ‘Ik mag hem niet.’

    Haar moeder stond op, haalde een soepbord uit de kast,

    vulde het met water en zette het op tafel. Ze legde haar

    vingertop op het wateroppervlak en prevelde één scherp

    woord. Het water stroomde omhoog en vormde zich om

    tot een beeltenis van Chad in al zijn glorie. ‘Kun je wat

    specifieker zijn?’ vroeg ze. ‘Wat staat je precies niet aan

    hem aan?’

    Terwijl Alena naar hem keek, moest ze toegeven dat er

    uiterlijk niets mis was met Chad. Er was zelfs een heleboel

    goed aan hem. Hij was lang en fraai gebouwd, en zijn

    schouders waren breed en gespierd. Hij zag er sterk en

    solide uit. Capabel. Zijn rode haar was heel kort geknipt, en

    op de een of andere manier had hij niet de overgevoelige

    huid die de meeste rossige mensen wel hadden. Op

    zichzelf, zonder uitdrukking, zou je zijn gezicht zelfs knap

    kunnen noemen. Maar Chad had iets, iets in zijn ogen en de

    koppige stand van zijn kin, wat ‘rotzak’ uitstraalde, en het

    was luider dan woorden.

    De stad, en dan vooral het Oude Centrum, was al sinds

    jaar en dag in territoria van de prominente magische

    families verdeeld. Het was gebruikelijk dat de zonen van

  • 5

    plaatselijke families samenschoolden om hun gezamenlijke

    buurt tegen buitenstaanders te verdedigen voordat ze zich

    met een eigen carrière gingen bezighouden. De meeste

    jongens deden daaraan mee. Het was een soort overgangs-

    rite, maar Chad nam het echt serieus.

    ‘Hij is...’ Alena zweeg. Chad was niet dom. Integendeel,

    hij was soms behoorlijk sluw. Vorige week nog hadden hij

    en zijn maten een ongelukkige jongen van een rivali-

    serende familie op hun territorium gesnapt. Ze hadden die

    knul in elkaar kunnen slaan en het daarbij kunnen laten,

    maar nee, Chad had zijn lievelingsknechtje Marky een paar

    hondsdolle mormels laten oproepen, en die hadden de

    jongen het uitgebrande pakhuis aan River Street in gejaagd.

    Hij had niet genoeg magie gehad om door Marky’s illusie

    heen te kijken, maar hij had in zijn paniek wel mentaal

    contact gelegd met zijn familie, schreeuwend dat hij werd

    aangevallen door een roedel wilde beesten. Chad en zijn

    trawanten waren voor de deur blijven zitten totdat de vrien-

    den van die jongen aankwamen om hem te redden, en toen

    beweerden ze dat die het grondgebied van de Thurmans

    waren binnengedrongen. De rivaliserende familie had een

    boete moeten betalen.

    Chad was niet dom en hij zou zich best goed redden in

    het leven. Hij had alleen geen enkele belangstelling voor

    wat Alena te zeggen had, en zij had geen belangstelling

    voor wat hij te doen had.

    ‘Hij is wreed en gevaarlijk,’ zei ze uiteindelijk.

  • 6

    ‘Je bent een Koronov,’ zei haar vader. ‘De Thurmans

    respecteren ons. Hij zal je met geen vinger aanraken zonder

    jouw toestemming. En als hij dat wel doet, heb jij míjn

    toestemming om te doen wat nodig is.’

    Geen toestemming hebben zou haar niet bepaald

    tegenhouden, maar het leek haar niet zo slim om dat nu

    hardop te zeggen.

    ‘Jullie zijn samen opgegroeid,’ voerde haar moeder aan.

    ‘Dat is nu juist het probleem! Jullie willen dat ik uitga

    met een jongen die ik al ken sinds hij zeven was en ik vier.

    Ik heb hem zijn snot zien afvegen aan het haar van een

    klein kind. Toen ik vijf was, maakte hij mijn slee kapot door

    ermee van de stenen trap in Butcher Street te gaan, en toen

    heb ik hem ermee op zijn kop geslagen.’

    ‘Dus je wilt niet met hem uit omdat hij twaalf jaar ge-

    leden je slee kapot heeft gemaakt?’ vroeg haar moeder lang-

    zaam.

    Alena ontspande haar kaakspieren. ‘Nee, mam, ik wil

    niet met hem uit omdat hij tuig is. Net als de rest van zijn

    familie. Waar moeten we het in vredesnaam met elkaar over

    hebben? Hij heeft amper de middelbare school afgemaakt.

    We hebben niets met elkaar gemeen!’

    ‘Jullie zijn allebei jong en aantrekkelijk,’ antwoordde haar

    moeder.

    Alena deinsde achteruit. ‘Wil je soms dat ik me

    prostitueer?’

    De wenkbrauwen van haar moeder kropen omhoog. ‘Je

    hoeft niet zo melodramatisch te doen. Hij is een knappe

  • 7

    jongen.’ Ze knikte naar de waterige beeltenis. ‘Het is alleen

    maar natuurlijk dat er een zekere aantrekkingskracht tussen

    jullie bestaat. Eigenlijk denk ik dat je voor de vorm protes-

    teert.’

    Alena verslikte zich bijna. ‘Aantrekkingskracht? Hoezo?

    Mam, hij loopt rond met boksbeugels in allebei zijn

    broekzakken!’

    ‘Je gaat,’ zei haar vader.

    Haar moeder wierp hem een waarschuwende blik toe.

    ‘Weet je nog dat we het afgelopen maandag hadden over

    het kopen van een auto? Dat jij vond dat het tijd werd dat

    we je als een volwassene behandelden?’

    Alena aarzelde. Deze plotselinge wending bracht haar

    van haar stuk. ‘Ja?’

    Haar moeder glimlachte. ‘Weet je wat het verschil is

    tussen volwassenen en kinderen? Zelfdiscipline. We wíllen

    niet naar ons werk, we wíllen geen klusjes doen en we

    wíllen geen onaangename beslissingen nemen, maar we

    doen het toch, omdat we ons bewust zijn van de gevolgen

    als we het niet doen. Aangezien je zeventien bent, zal ik je

    als een volwassene behandelen en er geen doekjes om

    winden. Onze familie is nooit rijk geweest, zoals je weet,

    maar je grootvader was een zeer gerespecteerd man. Veel

    families zijn hem gunsten schuldig. Hij had een zekere

    invloed. Toen hij overleed, is een deel van die invloed ook

    overleden.’

    Dat wist Alena al. In hun buurt waren bruiloften en be-

    grafenissen voor de volwassenen gelegenheden om bij el-

  • 8

    kaar te komen en zaken te bespreken. Ze zaten urenlang

    om de tafel, nipten van drankjes en schreven contracten en

    formules op servetten tot lang nadat de maaltijd afgelopen

    was. Toen opa overleed, kwamen er bijna driehonderd

    mensen naar zijn uitvaart. De meesten bleven niet lang. Ze

    betuigden hun respect, zeiden een paar woorden tegen haar

    ouders en haastten zich de deur weer uit. Het verlies aan

    invloed voor hun familie was zo duidelijk dat zelfs Alena

    het had opgemerkt.

    Haar moeder ging door. ‘Je vader was de adviseur van je

    opa. Daarom heeft de familie zo veel in zijn onderwijs

    geïnvesteerd. Het was nooit de bedoeling dat hij je opa zou

    opvolgen. Die rol was weggelegd voor oom Rufus, maar

    helaas overleed hij ook.’

    Haar moeder keek even verontschuldigend naar tante

    Ksenia voordat ze verderging. ‘De andere families in de

    buurt zijn zich hiervan bewust. Ze azen op onze zakelijke

    belangen, vooral op onze investeringen in watercom-

    municatie. Om niet failliet te gaan, hebben we een grote

    geldlening nodig om de kosten van je opa’s begrafenis te

    dekken en een paar kleinere schulden af te lossen, waarna

    we weer sterk en financieel zeker zullen lijken. Al onze

    zakelijke bankrekeningen lopen bij de SunShine Bank. Weet

    je wie het meerderheidsbelang bij die bank heeft?’

    Alena schudde haar hoofd.

    Haar moeder ging genadeloos door. ‘De Thurmans. Je

    kunt dus uitgaan met Chad Thurman, zonder verdere ver-

    plichtingen kan ik eraan toevoegen, of je kunt zijn uitnodi-

  • 9

    ging afslaan, de Thurmans beledigen en onze kans op die

    lening om zeep helpen. Niemand hier zal je dwingen. We

    laten de keus helemaal aan jou.’

    Alle protesten bleven in Alena’s keel steken. Ze slikte.

    Elke cel in haar lichaam verzette zich tegen het idee, maar

    als ze nu weigerde, zou ze wel een heel verwend, egoïstisch

    nest lijken. Als het dan zo belangrijk was en de toekomst

    van haar familie ervan afhing... Alena zou alles doen om te

    voorkomen dat ze in de afgrond stortten.

    ‘Ik ga wel,’ zei ze zachtjes.

    ‘Dank je,’ zei haar moeder.

    Het was allemaal Dennis’ schuld, overpeinsde Alena terwijl

    ze de kleren in haar kast bekeek. Dennis Mallot en zij

    waren ongeveer een jaar met elkaar omgegaan, altijd in het

    openbaar. Ze hadden nog niets lichamelijks met elkaar

    gedaan zoals zoenen of hand in hand lopen, maar ze

    spraken af, wandelden door River Street, wisselden roddels

    uit en vertelden elkaar hoe hun ouders hen nog steeds

    behandelden als kinderen. Ze waren vrienden. Zij was een

    nerd, een intelligente meid, en hij was een vreemde, stille

    jongen.

    Hun families vonden het niet erg. De Koronovs en de

    Mallots stonden heel dicht bij elkaar op de sociale ladder,

    allebei solide families met wortels in het Oude Centrum en

    een goede magische achtergrond. Met uitzondering van opa

    en oom Rufus hadden alle Koronovs goed kunnen leren en

  • 10

    waren ze gaan studeren, terwijl de meeste Mallots de kost

    verdienden met geneeskundige magie.

    Alles verliep heel aardig, maar toen kreeg haar vader het

    heldere idee om Alena een jaar naar een kostschool te

    sturen om haar ‘uit te dagen’. Tweehonderd tieners, opeen-

    gepakt op een campus zonder toegang tot de buitenwereld,

    hadden behoorlijk wat zwaar sociaal drama opgeleverd. Na

    bijna een jaar getuige te zijn geweest van stormachtige

    relatiebreuken en gebroken harten gevolgd door zwermen

    van eindeloze roddels, was Alena klaar voor een echt

    vriendje. Niet een soort-van vriendje zoals Dennis, maar

    echte hoteldebotel-verliefdheid. Zodra ze weer thuis was,

    kocht ze een jurk in een donkerrode wijnkleur die er

    absoluut geen twijfel over liet bestaan dat ze een jonge

    vróúw was. Ze krulde haar donkere haar, deed make-up op

    en trok misdadig hoge hakken aan, en ging toen naar haar

    oude school om bij te praten met haar vrienden.

    Dennis was bijna flauwgevallen. Zelfs nu nog grijnsde ze

    bij die herinnering: hij was met open mond en uitpuilende

    ogen tegen de muur gezakt. Het was het meest tevreden-

    stellende moment van haar leven geweest, een triomf. Alles

    aan haar had uitgestraald: ‘Ja oké, ik ben een nerd, maar ik

    kan er best aardig uitzien als ik wil. Zie je wat je hebt

    gemist?’

    Dennis had haar de volgende morgen gebeld om haar

    uit te nodigen voor het Meibal, een enorm schoolfeest met

    eten, bands en magische shows waar alle recente geslaagden

  • 11

    en oud-leerlingen naartoe kwamen. Iedereen ging erheen.

    Ze had ja gezegd.

    En toen was het de avond van het feest. Perfect haar?

    Check. Make-up? Check. Dezelfde rode jurk? Check.

    Naaldhakken? Check. Dennis...

    Dennis kwam niet opdagen. Alena bleef naar buiten

    lopen, zich afvragend waarom hij zo laat was, maar met het

    idee dat hij er zo wel aan zou komen. En toen had Chad

    Thurman haar gezien. Hij liep langs, zag haar en duikelde

    bijna voorover op de stoep. Ze had hem zeker verrast.

    Dennis was helemaal niet komen opdagen. Volgens de

    roddels was hij dronken geworden met zijn maatje Jeremy.

    Alena had zich met haar perfecte make-up en sexy jurk zo

    dom en hol gevoeld. Zo stom en zielig.

    De Mallots kregen in niet mis te verstane bewoordingen

    te horen dat de belediging aan hun familie niet zou worden

    vergeten en dat Dennis niet meer welkom bij hen was.

    Maar nu was Chad Thurman naar voren gestapt om

    misbruik te maken van haar pech, en de familie duwde haar

    maar al te graag de deur uit en zijn armen in. En het

    probleem was dat als Chad haar leuk vond, niemand anders

    meer met haar uit zou willen. Chad had het soort reputatie

    waardoor rivalen snel dekking zochten. Maar toch zou ze

    het doen. Haar familie had die lening nodig.

    Alena koos een leuke spijkerrok uit, niet te kort en niet

    te lang, een witte boerenkiel en nieuwe blauwe schoenen

    met een maar iets lagere hak dan haar rode. Ze trok de

    outfit aan en bekeek zichzelf in de spiegel: favoriete blouse,

  • 12

    favoriete rok, splinternieuwe schoenen. De date zou al

    waardeloos genoeg zijn. Nu zou ze zich in elk geval op haar

    gemak voelen in haar lievelingskleren.

    De deurbel ging en haar moeder riep: ‘Alena!’

    Ze zuchtte en stapte de gang in. Chad stond op de

    stoep, met een bos rode rozen in de ene hand en een fles

    dure wodka in de andere. De bloemen waren voor haar

    moeder en de wodka voor haar vader. De Thurmans waren

    immers een oude familie die wist hoe het hoorde.

    ‘Veel plezier,’ zei haar moeder vriendelijk.

    De moed zonk Alena in de schoenen. Ze had niet vaak

    voorspellende visioenen, maar op dat moment wist ze

    absoluut zeker dat deze date niet goed zou aflopen.

    Buiten bleef Chad nog even staan, met een doodserieus

    gezicht. Ze had die uitdrukking eerder gezien, meestal

    wanneer hij een of andere strijdstrategie voorbereidde. ‘Je

    ziet er heel mooi uit,’ zei hij zachtjes. Zijn blik bleef bij haar

    borsten hangen.

    ‘Bedankt.’ Alena glimlachte. ‘Jij ook.’

    Hij zag er echt goed uit in zijn spijkerbroek en zwarte T-

    shirt.

    Ze staarden elkaar opgelaten aan.

    ‘Ik dacht dat we naar de film konden,’ zei hij uiteindelijk.

    ‘Klinkt goed. Wat voor film?’

    ‘Er draait een vechtfilm van Kitai Empire. Gonzo de

    Speerdrager.’ Chad keek haar aan alsof hij verwachtte dat ze

    hysterisch zou reageren.

  • 13

    ‘Ik ben gek op historische drama’s,’ zei ze. Die film

    klonk in elk geval veelbelovend.

    ‘Mooi zo.’ Hij bood haar zijn arm aan.

    Alena legde haar handen om zijn onderarm en besefte

    dat dit de eerste keer ooit was dat ze een jongen aanraakte

    op een date. Bijna zuchtte ze spijtig, maar ze wist het te

    onderdrukken. Ze had gezegd dat ze zou gaan. Het had

    geen zin om er nu over te klagen.

    Ze liepen door de straat naar de bioscoop. Chad staarde

    recht voor zich uit, met zijn kaken op elkaar geklemd.

    Na ongeveer vijf minuten voelde de stilte beladen. ‘Heb

    je de laatste tijd nog leuke boeken gelezen?’ vroeg ze,

    gewoon om maar iets te zeggen.

    ‘Ik lees niet veel,’ antwoordde Chad.

    ‘Films?’

    ‘Ik heb Marauder III gezien,’ zei hij. ‘Goeie film.’

    Dit ging lekker soepel, zeg. ‘Wat vond je er goed aan?’

    ‘Weet ik niet.’

    Chad Thurman – geen groot redenaar.

    ‘Wacht even.’ Chad stapte bij haar weg en blafte een

    jongen aan de overkant van de straat toe: ‘Hé! Hé, wie ben

    jij, verdomme?’

    De jongen bleef staan. ‘Ik moet een pakketje afleveren

    bij mijn oom. Wie ben jij, verdomme?’

    Chad beende naar hem toe. ‘Wie is je oom?’

    Hij had zeker vijf minuten nodig om uit te vogelen wie

    wie was en wie het recht had om waar te zijn. De eerste

    minuut keek Alena naar haar voeten, toen keek ze naar de

  • 14

    lucht, en toen telde ze de spijlen van het lange ijzeren hek

    langs de weg over de heuvels. De hele stad bestond uit de

    ene heuvel na de andere, met helemaal onderaan River

    Street.

    Chad kwam op een drafje naar haar terug. ‘Maak je geen

    zorgen,’ zei hij. ‘We komen niet te laat.’

    Ze knikte alleen. Hoe eerder dit achter de rug was, hoe

    beter.

    Ze spraken verder niet op weg naar de bioscoop.

    Vlak voordat ze het oude gebouw bereikten, werden ze

    weer tegengehouden, deze keer door de magere Marky met

    zijn donkere ogen. Hij en Chad overlegden op gedempte

    toon met elkaar totdat Chad hem de mond snoerde. ‘Dat

    gezeik ook altijd. Ik doe het zelf wel.’ Marky verbleekte en

    ging ervandoor. Chad draaide zich naar Alena om alsof er

    niets was gebeurd en troonde haar mee naar binnen. Hij

    bood aan popcorn en fris voor haar te halen, maar dat sloeg

    ze af.

    De film was afgrijselijk. Lang, saai, raar en totaal

    onlogisch. Met een titel als Gonzo de Speerdrager had ze ge-

    vechten verwacht, misschien wat acrobatiek en Kitai-vuur-

    magie, maar nee, het was een verhaal over een of andere

    middeleeuwse Kitai-ambtenaar die werd verleid door de

    vrouw van zijn baas. Of misschien verleidde hij haar. De

    film leek uit de ene lange conversatie na de andere te be-

    staan, en na een tijdje was ze de draad volledig kwijt.

    Chad staarde met een grimmig gezicht naar het scherm.

    Het leek erop dat hij de film ook niets vond.

  • 15

    Na ongeveer een halfuur overwoog Alena de zaal uit te

    lopen. Maar Chad had de entreekaartjes betaald. Stel dat hij

    beledigd was? Ze kon de stem van haar moeder nu al in

    haar hoofd horen: ‘Je hoefde alleen maar een film van twee

    uur te doorstaan, een film waarop iemand je had getrak-

    teerd. Was dat nou echt zo moeilijk?’

    Nee, mam. Natuurlijk niet, mam.

    Het had geen zin. Ze zat in de val.

    Eindelijk was de film afgelopen. Alena stond op en

    volgde Chad zwijgend naar buiten.

    Op de stoep kreeg Chads gezicht weer een uitdrukking

    van serieuze concentratie. De film was een totale flop

    geweest, en nu moest hij de schade zien te beperken. Ze

    vroeg zich af wat zijn volgende zet zou zijn.

    Hij leidde haar naar Lion Park, waar marmeren

    leeuwenstandbeelden een enorme fontein van drie ver-

    diepingen bewaakten. Natuurlijk. De ijssalon. Chad volgde

    het oude datinghandboek: na de film, hoe verschrikkelijk

    die ook was geweest, zou hij haar nu op ijs trakteren.

    Ze liepen zwijgend door.

    ‘Die film was ruk,’ zei hij.

    ‘Ja.’

    Weer een stilte. Dit ging helemaal niet goed.

    Chad bleef plotseling staan. Ze keek in dezelfde richting

    als hij en zag de ijssalon. Er hing een bordje gesloten op de

    deur.

    Chad keek bijna alsof hij pijn had. Even had ze echt

    medelijden met hem. Hij besefte dat verbale verleiding te

  • 16

    hoog gegrepen voor hem was, en de naam van haar familie

    maakte het onmogelijk om haar gewoonweg vast te grijpen

    en in haar borsten te knijpen, wat hij het liefst zou doen.

    Sterker nog, dertien jaar van gedeelde jeugd zorgden voor

    een hoop herinneringen, en die herinneringen hingen nu als

    een ondoordringbare barrière tussen hen in.

    ‘Weet je nog toen je me een paar jaar geleden van de

    ponton duwde?’ vroeg ze ineens.

    Chad keek haar aan.

    ‘Mijn moeder had gezegd dat ik daar niet mocht

    zwemmen, omdat de fabriek stroomopwaarts van de

    ponton afval in de rivier dumpte, maar ik ging toch mee. Ik

    had een zwarte jurk met rode en gele stippen aan. Jij duwde

    me van die ponton af, en ik voelde iets raars onder mijn

    voet. Toen ik het water uit klom, duwde je mijn vriendin-

    netje Sveta erin. Dat blonde meisje? Ze had een wit T-shirt

    aan. Je duwde haar in het water, en toen ze bovenkwam,

    kwam er een lijk achter haar omhoog.’

    Ze herinnerde het zich nog levendig: een bleek lichaam

    dat omhoog kwam drijven in troebel water met de kleur

    van thee. Sveta had gegild en gegild. Zelfs toen de politie

    een deken bij haar omsloeg, maakte ze nog zachte, gillende

    geluidjes, alsof er iets defect was in haar borstkas.

    Er glansde een lichtje in Chads ogen. ‘Ja, dat weet ik

    nog. Hij was een magiër van de plaatselijke academie. Hij

    was met zijn zatte kop ’s nachts in de rivier gesprongen en

    opengelegd door de propeller van een boot.’

  • 17

    Alena knikte. ‘Jij had me waarschijnlijk boven op dat lijk

    geduwd.’

    Chad glimlachte breed.

    Ze staarde vol ongeloof naar die grijns. Hij vond dit

    grappig. Zij had er naderhand nog een maand nachtmerries

    over gehad, en hij vond het grappig.

    Nu had ze er genoeg van. Alena hief haar kin. ‘Moet je

    horen. De film was slecht, het ijsje is niet doorgegaan en we

    hebben het maar niet eens meer over mijn kapotte slee of

    dat lijk. Bedankt dat je me mee uit hebt genomen, maar nu

    wil ik graag naar huis.’

    Er trok een donkere schaduw over Chads gezicht. Hij

    rechtte zijn schouders. ‘Oké,’ zei hij uiteindelijk.

    Ze liepen de heuvel af naar de rivier. Alena had haar

    best gedaan, echt. Ongetwijfeld zou iedereen heel teleur-

    gesteld zijn omdat ze geen klik had gehad met Chad. Maar

    om nu in het park naast hem te gaan zitten terwijl hij over-

    peinsde hoe hij zo snel mogelijk handtastelijk kon worden,

    dat trok ze niet. Vooral niet na die zelfingenomen glimlach.

    Ze gingen de hoek om naar River Street. Nog drie

    straten, de heuvel op, en dan was ze thuis.

    Een hees gejank van woede galmde door River Street.

    Alena bleef staan.

    Er kwam met een luid gegil iets kleins achter het stenen

    pakhuis vandaan rennen. Een tel later schoten Marky en

    Pol, twee van Chads intelligentste trawanten, de hoek om

    en renden erachteraan.

  • 18

    De gedaante zwenkte naar links en kwam op hen af.

    Alena tuurde ernaar. Een varken! Een bruin, harig

    varkentje. Wat was dit nu weer...

    ‘Ik vermoord die klootzak,’ grauwde Chad.

    Ze keek hem aan, ervan overtuigd dat ze hem verkeerd

    had verstaan.

    Hij stormde op het varkentje af. Het beestje schoot naar

    rechts, en Chad botste tegen Marky op. De kleinere jongen

    stuiterde van Chad af als een rubberen bal van een muur.

    Chad draaide zich abrupt om, met een gezicht dat

    verwrongen was van woede.

    O god, hij wil echt dat varken vermoorden.

    O nee. Nee, dat laat je. Een date was nog tot daaraan toe,

    maar als hij dacht dat ze erbij bleef staan terwijl hij kleine

    dieren vermoordde, stond hem een grote verrassing te

    wachten. Zij moest dat beest vangen voordat hij het deed.

    Het varken kwam recht op haar af, haast vliegend over

    het asfalt.

    Tien meter.

    Vijf.

    Drie.

    Ze sprong het beest tegemoet. Het varken zwenkte naar

    links. Haar vingertoppen streken langs zijn ruige haar en

    toen was hij weg, rennend voor zijn leven langs de straat.

    Ze zou hem op haar hoge hakken nooit kunnen inhalen.

    Nieuwe schoenen of het leven van een varkentje? Ze

    had nog geen seconde nodig om te beslissen, trok haar

    schoenen uit en rende achter het varken aan. Achter zich

  • 19

    hoorde ze het zware klossen van de laarzen van de drie

    jongens.

    Ze vlogen langs drie huizenblokken. Het varken maakte

    een wijde bocht naar links en rende het oude voetbalveld

    op waar ze tennisbanen gingen aanleggen. Ha! Nu kon hij

    nergens meer naartoe: er stond een hek van drie meter

    hoog om het veld om te voorkomen dat ballen bij het

    appartement ernaast terechtkwamen. Alena wist nog wat te

    versnellen en schoot het veld op.

    Waar was hij gebleven?

    Vanuit haar ooghoeken ving ze beweging op. Daar was

    hij. Het beest was tegen een berg rode klei op geklauterd

    waarmee de aannemer het veld egaliseerde en zat er nu

    bovenop, besmeurd met oranje stof.

    Alena rende op haar tenen naar hem toe en probeerde er

    vriendelijk en niet bedreigend uit te zien. Het varken keek

    haar met behoedzame ogen aan. Voorzichtig begon ze

    tegen de berg op te klimmen.

    ‘Hier, beestje.’ Van haar panty was na het rennen over

    de stoep niets meer over en de poederige rode klei wurmde

    zich tussen haar tenen door omhoog. ‘Ik doe je niks.’

    Het varken loerde naar haar, maar bleef zitten. Ze was er

    bijna. Bíjna.

    Ze stak haar hand uit, heel langzaam.

    Achter zich hoorde ze de lage stem van Chad: ‘Voor-

    zichtig...’

    Voorzichtig, hij kon haar wat. Hij kreeg dat varken niet.

    Alena boog zich naar voren tot ze bijna op handen en

  • 20

    knieën zat, met haar gezicht op gelijke hoogte met de snuit

    van het varken. Droevige bruine ogen keken haar aan

    vanuit een donzige snoet.

    ‘Niet bang zijn,’ fluisterde ze. ‘Chad krijgt je niet.’

    Ze boog zich stukje bij beetje verder naar voren, met

    haar uitgestoken handen reikend naar het harige bruine

    lijfje.

    Het beest gilde en rende de berg klei af.

    ‘Shi– chips!’ Alena rechtte met een ruk haar rug, maar

    daardoor raakte ze uit evenwicht. Ze wiebelde op de top

    van de berg, wapperend met haar armen als een boven-

    maatse ooievaar die wilde opstijgen.

    De klei brokkelde af onder haar voeten. Ze graaide om

    zich heen, op zoek naar iets om vast te grijpen, maar haar

    uitzicht op de lucht werd vervangen door een uitzicht op

    de flat en Alena gleed zijdelings van de helling af totdat

    haar gezicht tegen het groene voetbalgras klapte.

    Het duizelde haar. Ze schudde haar hoofd en ging

    zitten. Ze had een brede veeg oranje klei over haar zij: van

    de resten van haar panty omhoog over haar spijkerrok en

    ooit witte blouse, helemaal tot aan haar haargrens.

    Vanuit haar ooghoeken zag ze Chad en zijn tuig om de

    heuvel heen komen, tot stilstand komen en met open mond

    naar haar staren. Ze krabbelde overeind. Haar linkerzij

    prikte. Haar rechterenkel deed pijn.

    In de verte probeerde het varken zich gillend door een

    gat in het hek te wurmen.

  • 21

    De verbazing op Chads gezicht maakte plaats voor een

    roofdierachtig masker van voldoening. ‘Hij zit vast!’

    Ze renden er als een meute dolle honden achteraan.

    Alena zette de achtervolging in. Ze lagen op haar voor,

    maar zij maakte zich er zo veel zorgen om dat haar angst

    haar vleugels gaf en ze hen aan het eind van het veld

    inhaalde.

    Met een heldhaftige krachtsinspanning perste het varken

    zich door het gat. Plukken bruine vacht bleven aan het hek

    hangen. Chad vloekte. Pol rende naar de poort in het hek

    en begon te prutsen met het stuk ijzerdraad waarmee het

    dichtzat.

    Het varken was het pad naar het voetbalveld over en

    rende nu naar de oude houten trap naar beneden, terug

    naar River Street. Links stond een enorme gele flat en

    rechts een rij oude schuren met grijze golfplaten daken. De

    bovenkant van de trap bevond zich ongeveer op gelijke

    hoogte met die daken.

    Het varken keek naar links en naar rechts, ging een paar

    passen achteruit en maakte een sprong naar het eerste dak.

    Zijn hoefjes klepperden op de golfplaten.

    Eindelijk kreeg Pol de poort open en renden de jongens

    het pad op. Het varken deinsde voor hen achteruit. Het had

    de rand van het dak bereikt en kon nergens meer naartoe.

    Chad schatte de afstand tussen de trap en de schuur in.

    ‘Jij bent te zwaar,’ zei Marky. ‘Dat dak begeeft het. Laat

    mij maar...’

  • 22

    Chad was te zwaar, maar Alena niet. Ze nam een

    aanloop en sprong. De golfplaten kraakten, maar ze hielden

    het. Stapje voor stapje liep ze naar het varken toe. Vanuit

    haar ooghoeken zag ze Chad, Marky en Pol de trap af

    komen rennen.

    Stapje. Nog een stapje.

    Het varken dook in elkaar. Hij had lange rode krassen

    over zijn flanken van het hek rondom het voetbalveld

    waaraan hij zich bij zijn ontsnapping had opengehaald.

    ‘Het is al goed,’ zei ze tegen het beest. ‘Het is al goed.

    Het komt allemaal goed.’ Haar voeten deden pijn van het

    rennen op haar panty. Er schoot een lukrake gedachte door

    haar hoofd: dit kon toch niet echt zijn? Ze zette het van

    zich af, bukte zich en greep het varken vast.

    Hij verzette zich niet. Hij keek haar alleen maar met

    grote donkere ogen aan, en ze dacht een merkwaardig

    droevige blik in de diepten ervan te zien...

    Met een enorm geraas stortte het dak in.

    Alena viel de duisternis in, met het varken stevig tegen

    haar borst gedrukt. Haar pijnlijke voeten raakten iets hards.

    Plotseling was er niet meer genoeg lucht. Hoestend en

    proestend besefte ze dat ze in een berg kolen was geland

    die hier voor de winter was opgeslagen.

    Buiten klonk een knal, en toen werd de deur uit de

    scharnieren gerukt en scheen er schel licht naar binnen.

    Chad stond daar met een stiletto in zijn hand. ‘Goed

    gedaan,’ zei hij. ‘Heel goed gedaan.’

  • 23

    Alena kwam bibberig overeind, met het beest tegen zich

    aan gedrukt.

    ‘Geef me dat varken,’ zei Chad.

    Haar stem klonk mat. ‘Nee.’

    ‘Geef me dat verrekte varken,’ grauwde hij.

    Iets binnen in haar brak als glas. Magie stroomde door

    haar heen, razend door haar aderen. Toen Marky

    achteruitdeinsde, wist ze dat haar ogen lichtgroen gloeiden.

    ‘Nee,’ grauwde ze terug. De magie zwol in haar op en

    brak los.

    De schuur ontplofte. Kolen kletterden tegen de wanden

    en gingen dwars door het zachte hout heen. Ze deed een

    pas naar voren. Chad sprong op haar af, maar werd als een

    pop opzij gesmeten.

    Dat was haar gave. Ze had niet zoiets elegants als het

    vermogen van haar vader om van kilometers afstand heel

    precies een locatie te bepalen en de eerste, wankele verbin-

    ding te leggen waarna de bouw van een watercommuni-

    catielijn mogelijk werd. Haar magie was ook niet zo com-

    plex als het vermogen van haar moeder om vanuit haar ge-

    heugen volmaakte afbeeldingen te reconstrueren.

    Nee, Alena’s kracht was eenvoudig en bruut, zoals die

    van haar grootvader. Ze deed nog een trillende pas naar

    voren. Pol trok een mes en haalde ermee uit in een poging

    door de onzichtbare magische cocon heen te komen. Ze

    liet haar magie het mes uit zijn hand rukken. Het schoot

    langs haar heen en zonk tot aan het heft in de naastgelegen

  • 24

    schuur. De magie raakte Pol ook, en hij vloog over het

    asfalt.

    Zo’n simpele magie, eigenlijk. Als Alena een voorwerp

    niet binnen twee meter om zich heen wilde hebben, ging

    het voor haar aan de kant.

    Zilveren strepen schoten in een doorlopende tornado

    van magie om haar heen, als heldere voetafdrukken van

    haar kracht.

    Chad was om haar heen gelopen en versperde de weg

    naar de trap. ‘Alena...’

    ‘Aan de kant,’ zei ze.

    Hij bleef nog een tel staan, met zijn handen met witte

    knokkels om de trapleuning geklemd, maar toen stapte hij

    opzij. Strompelend en bibberend beklom ze de trap en liep

    door naar het steile pad en het houten hekje om haar huis.

    Als in een droom opende ze het poortje, liep over het

    paadje tussen de rijen rozenstruiken en beklom de drie

    treden naar de veranda.

    Ze zag haar spiegelbeeld in het keukenraam. Haar hele

    linkerkant zat onder de oranje klei. Al het andere was zwart

    van het kolenstof. Haar haar hing in wilde, smerige pieken

    om haar gezicht. Haar ogen gloeiden met een groen licht.

    Zelfs het varken in haar armen leek wel beter te weten dan

    zich te verzetten. Het beest, besmeurd met een mengeling

    van klei, kolenstof en zijn eigen bloed, hield zich heel

    rustig.

    Ze keek naar haar benen. Haar panty hing aan flarden en

    er zaten lange schrammen op haar blote voeten.

  • 25

    Vanavond zou de hele buurt weten wat er was gebeurd.

    Alena snufte, haalde haar sleutel uit haar zak en opende

    de deur.

    De familie was net aan tafel gaan zitten voor het

    avondeten. Toen ze haar zagen, verstarden ze. Alena keek

    van de open mond van tante Ksenia naar het stomverbaas-

    de gezicht van haar vader en toen naar haar moeder, die

    met een pan aardappelpuree in de ene hand en een houten

    lepel in de andere was verstild. Toen strompelde ze langs

    hen heen naar haar kamer.

    Ze keken haar na. Niemand zei iets.

    In haar kamer deed ze de deur op slot, ging de

    badkamer in en liet zich op de vloer zakken. Haar magie

    doofde uit. Tranen sprongen in haar ogen.

    Ze liet het varken los, en het deinsde voor haar

    achteruit.

    ‘Dit was mijn lievelingsblouse,’ zei ze tegen het beestje

    terwijl ze met de rug van haar hand haar tranen wegveegde.

    ‘Die troep gaat er nooit meer uit. En ik weet niet eens

    waarom ze achter je aan zaten.’

    Alena ging op haar knieën zitten, tilde het varken weer

    op en zette het in de badkuip. ‘En jij zit onder de schram-

    men. Kijk dan, je bloedt. We moeten die wonden uitspoe-

    len, anders gaan ze misschien ontsteken.’

    Ze draaide de kraan open en begon voorzichtig de klei

    en het kolenstof van de flanken van het varken te spoelen.

    ‘Dit zou allemaal niet zijn gebeurd als die idioot me niet

    had laten zitten. Die stomme zak. Weet je hoe verrot dat

  • 26

    voelde? Ik voelde me zó klein.’ Ze stak haar vinger en duim

    op, met amper ruimte ertussen, en toen pakte ze een stuk

    zeep en zeepte er de rug van het varken mee in. ‘En Dennis

    stelde niet eens wat voor als vriendje. Hij had niet eens

    door dat ik een meisje was. Ik wilde heus niet dat hij de

    hele tijd aan me zat of me onder bossen bloemen bedolf of

    zo. Alleen maar een kleine indicatie dat hij me mooi vond

    of dat hij me in elk geval als een vrouw zag zou al leuk zijn

    geweest. Maar wat krijg ik? Ik krijg Chad Thurman, die naar

    mijn tieten staart en kleine dieren wil afslachten. Dat is toch

    niet eerlijk?’

    Ze spoelde het varken af en bekeek zijn flanken. Niet al

    te erg. Het beestje had alleen wat ondiepe schrammen aan

    het avontuur overgehouden.

    ‘Je bent wel een geluksvarkentje. Al je strijdlittekens zijn

    ondiep.’ Ze snufte en knipperde de tranen weg die nog

    steeds door haar verdediging wilden breken en een

    overstroming wilden veroorzaken. ‘Als ik klaar ben, doen

    we er een zalfje op om je beter te maken. En ik snap echt

    wel dat je geen woord begrijpt van wat ik zeg. Ik had nooit

    verwacht dat ik nog eens in mijn eigen badkamer mijn

    problemen over een varken zou uitstorten.’

    Ze zweeg even en keek hulpeloos naar het beestje. ‘Maar

    ik heb verder niemand om mee te praten. En als ik niet

    praat, denk ik dat ik instort. En dat wil ik niet, want dan

    krijgt mijn familie medelijden met me.’

  • 27

    Alena pakte een handdoek. ‘Ik zal je wat vertellen over

    Chad. Je moet toch weten voor wie je bent weggerend. Het

    begon allemaal met een slee...’

    Een kwartier later waren de wonden van het varken

    behandeld met een zalfje met kaneelgeur en was Alena

    uitgepraat. Ze zette het varken op de badkamervloer en

    begon zich uit te kleden. ‘Ik denk dat ik je voor je eigen

    veiligheid beter nog even hier kan houden,’ zei ze terwijl ze

    in de badkuip stapte. ‘Totdat Chad zijn dromen van

    varkensmoord opgeeft, bedoel ik. Ik kan mijn vader

    waarschijnlijk wel zo’n schuldgevoel aanpraten dat hij een

    soortement van hok voor je bouwt.’

    Ze pakte de douchekop en draaide de kraan open. ‘Dus

    ik...’

    Het varken begon te schokken. Zijn bruine vacht

    bochelde, rekte op, hij groeide als een snel opgeblazen

    ballon, verbleekte, en ineens was hij een naakte man. Heel

    even staarden ze elkaar in volkomen shock aan. Alena ving

    een glimp op van brede schouders, een jong gezicht en

    donkere, intense ogen onder bruine wenkbrauwen. De man

    stak zijn hand op, sprak een bezwering uit en verdween.

    Dat was te veel. De douchekop viel uit Alena’s hand.

    Haar knieën knikten. Ze liet zich in de badkuip zakken en

    barstte in tranen uit.

    Iemand klopte op de deur. Alena stak haar hoofd dieper

    onder het kussen.

  • 28

    Haar moeder duwde de deur open en kwam binnen met

    een dienblad. ‘Dit duurt nu al drie dagen,’ zei ze. ‘Ik begrijp

    wel dat je niet beneden wilt komen voor het avondeten met

    de familie, maar je kunt niet op één boterham per dag

    leven.’

    Eén boterham per dag was prima geweest, dacht Alena.

    Zo hoefde ze in elk geval geen vragen van Boris en haar

    zus af te weren.

    Haar moeder zette het dienblad neer en kwam naast

    haar op bed zitten. ‘Wil je erover praten?’

    Alena schudde haar hoofd.

    Haar moeder tuitte haar lippen. ‘Dit is niet wat je vader

    en ik in gedachten hadden. Als we hadden geweten dat het

    zo zou lopen, zou ik je nooit de deur uit hebben gelaten.

    Misschien helpt het als je weet dat het verhaal nog niet de

    ronde heeft gedaan. Iedereen heeft het erover dat de

    Thurmans grote problemen hebben. Op de een of andere

    manier hebben ze een van de patriciërfamilies beledigd, een

    van de echt machtige families. Ik snap niet eens hoe ze

    daarmee in contact zijn gekomen; het moet via hun bank

    zijn gegaan. Volgens de roddels moeten de Thurmans een

    enorme afkoopsom betalen om een vete af te wenden. Ze

    liquideren nu hun investeringen om aan cash te komen.’

    Alena keek op. ‘Dus die date was helemaal voor niks?’

    ‘Het lijkt erop.’

    Natuurlijk. Misschien was ze vervloekt.

    Er werd aangebeld.

  • 29

    ‘Ik ben zo terug.’ Haar moeder schoof het dienblad naar

    haar toe. ‘Eet op. Alsjeblieft.’

    Alena keek ernaar. Friet en een stukje gebraden kip. Het

    was in elk geval geen karbonade. Ze zou nooit meer

    varkensvlees aanraken, zelfs niet als ze verhongerde.

    Haar moeder verscheen weer in de deuropening. ‘Kom.’

    Haar toon liet geen ruimte voor discussie.

    Alena zuchtte en stond op. Wat nu weer?

    Ze volgde haar moeder naar de gang beneden. De

    buitendeur stond open. Haar vader stond op de veranda,

    met een bijna gepijnigde gezichtsuitdrukking die ze nog

    nooit bij hem had gezien. Haar moeder gaf haar een zetje

    en duwde haar de deur uit en het zonlicht in.

    ‘Daar is ze,’ hoorde Alena haar vader zeggen, en toen

    stapte hij langs haar heen naar binnen en sloot de voordeur

    achter zich.

    Alena knipperde met haar ogen tegen de zon en zette

    haar hand erboven.

    Brede schouders, donkere ogen, bruin haar.

    ‘Jij!’

    Hij knikte. ‘Ja.’

    Haar wangen werden heel warm.

    Hij was een jaar of twintig en bijna een kop groter dan

    zij. Zelfs met dat wijde groene T-shirt was het duidelijk dat

    hij gespierd was, maar zijn brede schouders en borstkas

    liepen taps toe naar smalle heupen en lange benen die er

    heel fraai uitzagen in die spijkerbroek en laarzen. Hij stond

    in een natuurlijk sierlijke houding, lichtvoetig en op de een

  • 30

    of andere manier elegant, ondanks zijn nogal warrige haar.

    Zijn huid was gebruind van de zon, en bij het zien van zijn

    gezicht bloosde ze nog harder. Zijn ogen waren donker als

    pure chocolade, en straalden intelligentie uit. Hij was niet

    per se knap, maar hij was beslist aantrekkelijk en heel

    mannelijk.

    En hij had haar naakt gezien. Nadat ze hem door het

    Oude Centrum achterna had gerend, hem tegen haar borst

    had gedrukt, een kwartier met hem had rondgelopen en

    hem toen haar levensverhaal had verteld.

    ‘Hoi,’ zei hij.

    ‘Hoi,’ herhaalde Alena, die wenste dat ze door de

    veranda heen kon zakken.

    Hij harkte met zijn hand door zijn haar. ‘Dit is een stuk

    ongemakkelijker dan ik had verwacht.’

    Zij zou hem niet tegenspreken.

    Hij streek weer met zijn hand door zijn haar. Er

    glinsterde iets aan zijn hand: een ring. Haar gechoqueerde

    brein had drie hele seconden nodig om te begrijpen wat ze

    zag. Een zegelring. Een patriciër. O god. Deze jongen was

    lid van een van de families van magische zwaargewichten.

    ‘Ik ben Duncan. Zou je een keer met me uit willen?’

    vroeg hij.

    Alena deinsde achteruit. Hij had medelijden met haar.

    ‘Ik hou niet van liefdadigheid.’

    Duncan zette een stapje achteruit. ‘O. Ik snap het, ge-

    zien de omstandigheden. Nou, als je een keer wel in een

    liefdadige bui bent, ik heb je vader mijn nummer gegeven...’

  • 31

    ‘Ik bedoel dat je niet met me uit hoeft te gaan omdat je

    medelijden met me hebt.’ Ze viel bijna flauw van haar eigen

    heldenmoed.

    ‘Médelijden?’

    ‘Ja. Ik heb mijn hart bij je uitgestort. Je zult me wel een

    belachelijke, hysterische nitwit vinden. Maar eigenlijk kost

    het me al mijn wilskracht om hier te blijven staan en met je

    te praten in plaats van gillend weg te rennen.’

    ‘Het heeft mij zo ongeveer al mijn wilskracht gekost om

    je mee uit te vragen,’ zei Duncan. ‘Ik bedoel, ik was een

    várken. Misschien is er nog wel een waardelozere manier

    om kennis te maken met een mooi meisje, maar ik zou niet

    weten welke. Ik ben hier juist degene die belachelijk is. Ik

    ben een Klasse II pyro.’

    Alena knipperde met haar ogen. Een Klasse II pyro-

    magiër. Hij kon binnen een paar tellen een hele stadswijk in

    brand steken.

    ‘Ik ben goed opgeleid, maar toch liep ik zó een valstrik

    in van drie rotjochies die ik geblinddoekt en met één hand

    op mijn rug gebonden zou moeten kunnen verslaan. Het is

    maar goed dat het zomervakantie is, anders zou mijn

    bureau op de academie vol liggen met varkensoren.’ Hij

    gromde diep in zijn keel.

    ‘Hoe ben je...’

    ‘Een vriend van me was door een roedel wilde honden

    een pakhuis in deze buurt in gejaagd,’ legde hij uit. ‘Toen

    zijn familie hem vervolgens ging ophalen, liepen ze in een

    hinderlaag. Een hondsdolle hond wordt geclassificeerd als

  • 32

    een imminent-gevaarillusie. Die zijn verboden. Ik kwam

    kijken of er nog sporen van de illusie te vinden waren,

    volgde het residu van de magie naar de bron en liep zó die

    valstrik in. Ter verdediging kan ik aanvoeren dat het een

    heel goede valstrik was, een korte-afstands-transmutatie-

    mijn van militaire klasse. Ik weet niet hoe Chad en zijn

    trawanten eraan zijn gekomen, want burgers mogen zo’n

    wapen helemaal niet bezitten. En hoewel het niet verboden

    is om je familieterritorium te verdedigen, gaat het leggen

    van valstrikken en het oproepen van imminent-gevaar-

    illusies veel te ver. Chad wist dat hij in de problemen zou

    komen door wat hij had geflikt, en toen ze mij eenmaal

    zagen, zei hij tegen die kleinere knul...’

    ‘Marky,’ zei Alena.

    ‘Zei hij tegen Marky dat hij mijn keel moest door-

    snijden.’

    Ze sloeg haar armen over elkaar. ‘Hij is gek geworden.’

    ‘Hij wist dat de transmutatiemagie uiteindelijk zou

    uitwerken en dat hij geen schijn van kans tegen me zou

    maken in mijn menselijke gedaante. Het was een stuk

    gemakkelijker om me uit te schakelen terwijl ik nog een

    varken was. Gelukkig voor mij hadden Marky en zijn

    vriendje daar allebei de ballen niet voor. Kennelijk besloot

    Chad me toen zelf te vermoorden, maar ik besloot me niet

    gewillig naar de slacht te laten leiden. En de rest weet je.

    Toen de effecten van de transmutatiemijn eenmaal

    uitgewerkt waren, teleporteerde ik mezelf naar huis en ben

    ik teruggegaan met de cavalerie. Als militaire mijnen afgaan

  • 33

    laten ze een spoor achter dat zelfs een idioot kan volgen.

    We hebben de Thurmans bij de strot. Die domme stunt

    kost ze hun financiële zekerheid, en als ze zich heel netjes

    gedragen willen wij misschien zo vriendelijk zijn om geen

    aanklacht tegen ze in te dienen.’ Duncan deed dat met zijn

    haar nog een keer. ‘Luister, ik weet dat we elkaar niet onder

    de allerbeste omstandigheden hebben leren kennen. En

    niemand wil liever dan ik vergeten dat ik een varken was.’

    ‘Wat doe je hier dan?’ En waarom ging haar hart zo

    idioot tekeer?

    Duncan glimlachte. Hij had een oogverblindende

    glimlach; zijn hele gezicht lichtte ervan op en ze kon niet

    anders dan teruglachen. ‘Heel eerlijk gezegd krijg ik je niet

    meer uit mijn hoofd. Ik heb het geprobeerd. Ik zei tegen

    mezelf: “Wat ga je dan tegen haar zeggen? Oink-oink? Ze

    lacht je vierkant uit.” Maar ik moest het gewoon proberen.

    Dus hier ben ik.’ Hij spreidde zijn armen. ‘Ga met me uit,

    Alena. Alsjeblieft?’

    Wat had ze te verliezen?

    Alena haalde diep adem. ‘Oké.’

    Toen hij weer glimlachte, viel ze bijna in katzwijm. Hij

    pakte haar hand, tilde hem naar zijn lippen en drukte er

    zachtjes een kus op. Er ging een lichte huivering door haar

    heen.

    ‘Gaan we naar de film?’ vroeg ze.

    ‘Echt niet.’

    ‘Wat dan?’

    ‘Vissen,’ zei hij.

  • ‘Vissen?’

    Hij knikte. ‘In de bioscoop kun je niet met elkaar praten.

    We gaan in mijn boot zitten, cola uit een koelbox drinken,

    naar de rivier kijken en kletsen. Elkaar leren kennen. En als

    je het eng vindt om aas aan je haak te doen, dan kan ik...’

    Ze snoof. ‘Ik vis al sinds mijn zevende in die rivier.

    Probeer jij me nou maar bij te houden.’

    Hij grijnsde. ‘Deal. Bedankt dat je mijn leven hebt gered,

    trouwens.’

    ‘Graag gedaan.’ Alena stapte naar hem toe en kuste hem

    op zijn wang. Ze had geen idee waar ze het lef vandaan

    haalde; ze deed het gewoon.

    ‘Waar was dat voor?’ vroeg hij zachtjes. Zijn ogen waren

    donker en warm als fluweel.

    ‘Omdat je zo’n dapper varkentje bent,’ liet ze hem

    weten.

  • Lees meer van Ilona Andrews

    Aan de ene kant heb je onze magieloze wereld, die het Broze genoemd wordt; aan de andere kant vind je het Zonderling, waar magie juist alles bepaalt. Twee werelden die naast elkaar bestaan, als spiegelbeelden van elkaar. Waar ze elkaar raken, overlappen ze een klein stukje en vormen ze de Grens, een smalle strook land waarin magie en techniek naast elkaar bestaan. In die wereld-tussen-werelden wonen de Grenzers, buitenbeentjes die als enigen beide werelden kunnen bezoeken, maar in geen van beide thuishoren…

    Op de grens | De Grens-serie boek 1 | paperback, 368 blz. ISBN 978 90 261 3989 5 | ISBN e-book 978 90 261 3990 1

    Tussen twee vuren | De Grens-serie boek 2 | paperback, 464 blz. ISBN 978 90 261 4108 9 | ISBN e-book 978 90 261 4109 6

  • Over Patricia Briggs

    Patricia Briggs woont met haar man, kinderen en een kudde

    paarden in Washington State. Ze heeft met haar boeken

    meerdere keren de top van de New York Times-bestsellerlijst

    gehaald. In haar boeken Onder de maan, In het bloed en Ziel

    van ijzer speelt de 26-jarige garagehoudster-slash-coyote

    Mercy Thompson de hoofdrol.

    In ‘Davids ster’ lezen we iets meer over de achtergrond

    van David Christiansen, die een bijrol speelt in Onder de

    maan. Een hartverwarmend verhaal over hoe moord en

    misleiding een familie dichter bij elkaar kan brengen…

  • 37

    Davids ster

    ‘Ik heb ze zelf gescreend!’ snauwde Myra. ‘Heb je er wel-

    eens aan gedacht dat die knaap van jou misschien niet het

    engeltje is waar jij hem voor aanziet?’

    Stella zette haar bril af en legde hem op haar bureau. ‘Ik

    geloof dat wij allebei beter even wat afstand kunnen nemen.

    Neem jij de rest van de middag maar vrij.’ Voor ik je een

    hengst verkoop. Iemand als Devonte veranderde niet zo snel –

    niet zonder goede reden.

    Myra opende haar mond, maar bij het zien van Stella’s

    blik sloot ze hem weer. Zwijgend beende ze naar haar

    bureau en pakte haar jas en tas. De deur viel met een klap

    achter haar dicht.

    Zodra ze weg was klapte Stella de dossiermap open en

    bekeek de foto’s van de plaats delict opnieuw. Het waren

    kopieën: ongetwijfeld had Clive, haar broer de rechercheur,

    een paar regels moeten overtreden om ze haar te kunnen

    sturen. Niet dat hij daar ooit moeite mee had gehad: niet

    toen hij vijf was en niet als volwassen vent van tegen de

    vijftig (en dus oud genoeg om beter te weten).

    Ze streek even over de foto’s en sloot de map toen

    weer. Er zat een geel plakbriefje met een telefoonnummer

    op de voorkant – meer niet. Clive hoefde er geen naam op

    te zetten: haar broertje wist dat haar ook zou opvallen wat

    hij had gezien.

    Ze pakte de telefoon en toetste het nummer snel in, om

    zichzelf niet de kans te geven terug te krabbelen.

  • 38

    Het kazerneterrein was geheel verlaten, waardoor Davids

    kantoor er stil en somber uitzag. De jongens waren allemaal

    op kerstverlof naar hun familie.

    Zijn huurlingen waren gespecialiseerd in live retrieval, het

    bevrijden van mensen uit ontvoeringen, gijzelingen en

    andere levensbedreigende situaties. Meestal was dat een

    kwestie van ‘binnenvallen en wegwezen’, een paar weken

    werk op zijn hoogst. Hij brandde zijn vingers liever niet aan

    het grijze gebied van de zogenaamde ongeratificeerde strijd

    of zelfs een heuse oorlog, waarbij je mensen moest doden

    enkel omdat iemand je dat opdroeg. In zijn branche had je

    nog steeds gewoon de goeieriken en de slechteriken – als

    dat niet zo was, nam hij zo’n klus gewoon niet aan. Hun

    reputatie was zo goed dat ze nooit om werk verlegen zaten.

    En tenzij de hel net losbrak, namen ze in december altijd

    vrij om bij hun familie te zijn. David liet hen nooit merken

    hoe moeilijk hij het daarmee had.

    Weerwolven hadden hun roedel nodig.

    En al bestond zijn roedel uit mensen… Ach, ze wisten

    wat hij was en vervulden die typische wolvenbehoefte van

    hem die maakte dat hij mensen nodig had om te bescher-

    men, broeders in hart en ziel. Een echte roedel zou hij

    nooit kunnen verdragen, daarvoor haatte hij te zeer wat hij

    was.

    Nee, hij kon het niet aan om met zijn eigen soort samen

    te moeten leven, maar dit hier was een uitstekende ver-

    vanging. Het hield hem scherp. Als zijn jongens er waren,

  • 39

    als ze een opdracht hadden, had zijn leven richting, een

    doel.

    Zijn kleinzoons hadden hem uitgenodigd voor het

    familiediner, maar hij had – zoals altijd – hun aanbod afge-

    slagen. Zijn zoons zag hij nog steeds regelmatig. Beiden

    hadden een tijdje deel uitgemaakt van zijn huurlingen-

    bestand, totdat dat leven zijn aantrekkingskracht had verlo-

    ren of de risico’s te groot werden voor mannen met groei-

    ende gezinnen. Maar met Kerstmis bleef hij altijd expres bij

    hen weg.

    Rusteloos begon hij te ijsberen. Er waren geen plannen

    om te smeden, niets kroms om recht te breien. Ten slotte

    opende hij de wapenkluis en haalde er een paar van de

    nieuwere geweren uit. Daar moest hij toch nog wat tijd in

    steken.

    Het uurtje schieten schoof zijn rusteloosheid even aan

    de kant, maar slechts tot hij de geweren weer achter slot en

    grendel legde. Hij moest een eind gaan rennen, dat was het!

    Toen hij als voorbereiding daarop zijn zakken begon

    leeg te maken, zag hij dat hij tijdens het schieten een

    telefoontje had gemist. Hij wierp een blik op het nummer

    en fronste omdat hij het niet herkende. De meeste van zijn

    klussen werden hem bezorgd door een tussenpersoon, die

    heus niet zo dom was om zijn mobiele nummer zomaar

    door te geven. Voordat hij kon beslissen of hij wel wilde

    terugbellen rinkelde zijn telefoon opnieuw – hetzelfde

    nummer.

    ‘Christiansen,’ blafte hij.

  • 40

    Er viel een lange stilte. ‘Papa?’

    Hij sloot zijn ogen, liet zich op zijn bureaustoel zakken

    en voelde een steek in zijn hart, terwijl zijn wolf worstelde

    met de man die wist dat zijn dochter hem haatte. Zij wilde

    hem niet meer zien, nooit meer. Ze was erbij geweest toen

    haar moeder overleed.

    ‘Stella?’ Hij kon niet bedenken wat haar ertoe bracht om

    bijna veertig jaar stilte te doorbreken. ‘Alles goed met je?

    Wat is er aan de hand?’ Was er iemand die hij voor haar

    moest doden, een gebouw dat ze wilde dat hij opblies, wat

    dan ook?

    Ze slikte hoorbaar.

    Hij dacht dat ze meteen weer ging ophangen.

    Maar toen ze opnieuw sprak, klonk haar stem monter en

    leek de broze pijn die dat eerste woordje had gekleurd er

    nooit te zijn geweest. ‘Ik vroeg me af of je iets voor me zou

    willen doen.’

    ‘Waar heb je me voor nodig?’ Hij stelde tevreden vast

    dat hij behoorlijk evenwichtig klonk. Altijd goed om te

    weten waar je je kop in steekt, dacht hij bij zichzelf. Hij had

    eigenlijk willen zeggen dat zij hem álles mocht vragen, maar

    wilde haar niet wegjagen.

    ‘Ik leid een bureau dat pleegkinderen plaatst,’ vertelde ze

    hem – alsof hij dat niet wist. Alsof haar broers haar nooit

    hadden verteld hoe hij hen uithoorde: hoe het met haar

    ging, wat ze allemaal deed. Hij hoopte dat ze nooit ont-

    dekte wat er was gebeurd met de ex die haar had gestalkt.

    Hij had hem niet gedood, hoewel zijn duidelijk merkbare

  • 41

    verlangen daartoe wel had geholpen om deze kerel ervan te

    overtuigen naar een andere staat te verhuizen.

    ‘Dat weet ik,’ zei hij, omdat ze op een antwoord leek te

    wachten.

    ‘Er is iets…’ Ze aarzelde. ‘Ach, misschien was dit toch

    niet zo’n goed idee.’

    Hij ging haar weer kwijtraken! Hij moest een keer diep

    ademhalen om de paniek uit zijn stem te verdrijven. ‘Vertel

    het me toch maar. Of heb je soms iets beters te doen?’

    ‘Dat herinner ik me nog!’ riep ze uit. ‘Dat deed je bij

    mam ook altijd. Als zij hysterisch met borden of boeken

    begon te gooien, ging jij zitten en zei: “Vertel het me

    maar.”’

    Wilde ze nu over haar moeder praten? Over die ene keer

    dat hij kalm had moeten blijven en hem dat niet was gelukt?

    Hij had pas ontdekt dat hij een weerwolf was toen het te

    laat was, nádat hij zijn eigen vrouw had vermoord en de

    minnaar die zij had genomen, terwijl hij voor God en

    vaderland aan het vechten was (die hem overigens beide in

    de steek hadden gelaten). Ze had gewacht op zijn thuis-

    komst om hem te kunnen vertellen dat ze bij hem wegging

    – een vergissing die ze niet eens meer had kunnen be-

    treuren. Hij daarentegen zou er misschien wel voor eeuwig

    spijt van hebben.

    Hij sprak er nooit over, met niemand. Alleen voor Stella

    zou hij dit doen – maar zij kende het verhaal al. Zij was

    erbij.

  • 42

    ‘Wil je het over je moeder hebben?’ vroeg hij. Zijn stem

    werd zwaarder, zoals altijd wanneer de wolf dicht aan de

    oppervlakte kwam.

    ‘Nee, dat is het niet,’ zei ze vlug. ‘Daar heeft het niets

    mee te maken. Het spijt me, dit was geen goed idee.’

    Ze ging ophangen! Hij sprak zijn moeizaam opgebouwde

    voorraad zelfbeheersing aan en dacht razendsnel na.

    Veertig jaar als jager en leider van een groep mannen

    hadden hem veel ervaring opgeleverd in het tussen de

    regels door lezen. Als hij het gegeven dat het hier om zijn

    dochter ging even opzij wist te zetten, kon hij deze situatie

    misschien nog redden.

    Ze had verteld dat ze een bureau voor pleegkinderen

    leidde, alsof dit van belang was voor de rest van wat ze

    wilde zeggen.

    ‘Gaat het over je werk?’ vroeg hij, terwijl hij koortsachtig

    probeerde te bedenken wat een maatschappelijk werkster

    met een weerwolf zou moeten. Juist. ‘Is er een…’ Stella

    sprak liever niet over weerwolven, had hij van Clive

    gehoord. Als er iets bovennatuurlijks speelde zou ze er dus

    zelf over moeten beginnen. ‘Is er iemand die je lastigvalt?’

    ‘Nee,’ zei ze, ‘dat is het niet. Het gaat om een van mijn

    jongens.’

    Stella was nooit getrouwd en had geen kinderen ge-

    kregen. Volgens haar broer kwam dat doordat ze genoeg

    mensen had om voor te zorgen.

    ‘Ah, een van de pleegkinderen.’

    ‘Ja, Devonte Parish.’

  • 43

    ‘Een van je speciale gevallen?’ vroeg hij. Zijn Stella had

    altijd zwervers mee naar huis genomen, dieren én mensen.

    De meeste had ze opgeknapt en daarna terug naar huis

    gestuurd, met een maaltijd achter de kiezen en waar nodig

    een pleister of verband; maar sommige had ze gehouden.

    Ze zuchtte. ‘Kom eens naar hem kijken, alsjeblieft. Kun

    je morgen?’

    ‘Ik zal er zijn,’ beloofde hij. Het zou hem een paar

    uurtjes kosten om toestemming te regelen bij de roedels in

    haar woonplaats. Reizen was niet gemakkelijk voor een

    weerwolf. ‘Waarschijnlijk ergens in de middag. Is dit het

    nummer waarop ik je kan bereiken?’

    In plaats van op het vliegveld een taxi te nemen, huurde hij

    er een auto. Het was misschien lastiger om een parkeer-

    plaats te vinden, maar het gaf hem ook meer bewegings-

    vrijheid en privacy. Als zijn dochter slechts een gunst van

    hem wilde, maar er nog niet aan toe was om ook de

    vredespijp met hem te roken, had hij daar liever geen

    chauffeur bij. Een getuige zou het hem lastiger kunnen

    maken zichzelf in toom te houden – en zijn kleine meisje

    mocht echt nooit meer zien hoe hij zijn zelfbeheersing

    verloor.

    Voor hij op weg ging, belde hij haar en hoorde aan haar

    stem dat ze nog steeds hevig twijfelde. ‘Moet je horen,’ zei

    hij ten slotte. ‘Ik ben er nu toch. Misschien moeten we

    gewoon eens met die jongen gaan praten. Waar zullen we

    afspreken?’

  • 44

    Hij zou haar overal hebben herkend, hoewel ze elkaar – op

    haar verzoek – sinds de avond dat hij zijn vrouw had ver-

    moord niet meer hadden gezien. Destijds was ze twaalf, nu

    was ze een volwassen vrouw met zilveren draden in haar

    zwarte kroeshaar. De laatste keer dat hij haar zag was ze

    nog een beetje rond en zacht geweest, zoals de meeste

    kinderen van die leeftijd; nu had ze geen greintje zachtheid

    meer, maar was ze mager en gespierd – net als hij.

    Maar hoe lang het ook geleden was, hij zou haar nooit

    voor een ander kunnen aanzien: ze had zijn ogen en haar

    moeders gezicht.

    Hij had gedacht dat zulke heftige pijn je letterlijk zou

    laten bloeden. Het beest in hem worstelde, zocht naar een

    vijand. Maar hij wist het te beteugelen voor hij langs de

    stoeprand stopte en het portier van het slot haalde.

    Ze droeg een bruinwollen broekpak, enkele tinten

    donkerder dan de koffie-met-melkkleurige huid die ze van

    haar moeder had. Zijn eigen huid was donker als de nacht,

    waardoor hij zich veilig kon schuilhouden in de schaduwen

    – waar hij en anderen zoals hij thuishoorden.

    Ze trok het portier open en stapte in.

    Hij wachtte met wegrijden tot ze haar gordel had

    vastgemaakt. Natte sneeuw spatte op vanonder zijn ban-

    den, maar zodra hij had ingevoegd was het wegdek schoon.

    Zolang zij zweeg, bleef hij maar gewoon rijden. Hij had

    geen idee waar hij naartoe moest, maar nam aan dat ze hem

    dat wel zou vertellen zodra ze eraan toe was. Zijn blik hield

  • 45

    hij strak op het verkeer gericht, om haar de tijd te gunnen

    hem eens goed te bestuderen.

    ‘Je ziet er jonger uit dan ik me herinner,’ zei ze ten slot-

    te. ‘Jonger dan ikzelf.’

    ‘Ik was rond de vijfendertig toen ik Veranderde. Voor

    de meeste weerwolven lijkt een uiterlijke leeftijd van onge-

    veer vijfentwintig te gelden.’ Daar dan: hij had het uitge-

    sproken, ze moest er maar mee doen wat ze wilde.

    Hij rook dat haar angst voor hem weer oplaaide. Als hij

    echt vijfentwintig was geweest had hij het nu misschien

    uitgejankt. Dit soort spanning was niet handig als je een

    weerwolf was. Hij ademde diep in door zijn neus om

    zichzelf te kalmeren – hij had haar angst verdiend.

    ‘Devonte wil met niemand praten: niet met mij, niet met

    iemand anders,’ zei ze. En toen, alsof die woorden een

    sluisdeur hadden opengezet, ging ze verder: ‘Je had hem

    moeten zien toen ik hem leerde kennen. Hij was tien, maar

    leek wel veertig. Hij had net zijn oma verloren, bij wie hij

    was opgegroeid. Hij keek me recht aan, stak zijn kin naar

    voren en zei tegen me dat hij een huis nodig had waar hij

    kleren en eten kreeg, zodat hij zich kon concentreren op

    school.’

    ‘Slimme jongen?’ vroeg hij.

    Ze was midden in het verhaal begonnen, een gewoonte

    van haar die hij helemaal was vergeten – tot nu toe dan.

    ‘Heel slim. Stil. Maar ook grappig.’ Ze maakte een

    bedroefd geluid en even was haar verdriet groter dan haar

    angst voor hem. ‘We screenen alle gezinnen en gaan er

  • 46

    regelmatig langs. Maar we zijn ook met te weinig – en

    sommige klootzakken weten ons erg lang voor de gek te

    houden. Bovendien duurt het even voor je de rotte appels

    gaat herkennen.

    ‘Als hij bij zijn eerste gezin had kunnen blijven was er

    niets aan de hand geweest. Hij woonde er zes jaar. Maar

    afgelopen najaar raakte de pleegmoeder onverwacht

    zwanger én werd haar man overgeplaatst voor zijn werk.’

    Ze hadden de jongen laten vallen als een oude bank die

    ze te lastig vonden om mee te verhuizen, dacht David. En

    hij voelde een golf van woede opkomen, voor deze jongen

    die hij niet eens kende. Hij slikte de emotie gauw weg – dat

    kon hij tegenwoordig, voor even dan. Als hij straks thuis

    was, moest hij echt een flink eind gaan rennen.

    ‘Ik had het net erg druk met een paar rechtszaken,

    waardoor het iemand anders was die hem in zijn nieuwe

    gezin plaatste,’ vervolgde Stella turend naar haar handen,

    waarmee ze een bruine map vastklampte. ‘Dat zou eigenlijk

    geen problemen moeten hebben opgeleverd. Dit gezin had

    al eerder pleegkinderen gehad en Devonte was een goede

    jongen, geen lastig type.’

    ‘Maar toch is er iets gebeurd?’ vroeg hij.

    ‘Volgens zijn pleegmoeder flipte hij opeens: begon met

    meubilair te gooien, dingen kapot te maken. Toen hij haar

    vervolgens bedreigde, greep zijn pleegvader in en sloeg hem

    buiten westen. Nu ligt Devonte in het ziekenhuis, met een

    gebroken pols en twee gebroken ribben, en weigert hij iets

    te zeggen.’

  • 47

    ‘En jij gelooft het pleeggezin niet.’

    Ze snoof verontwaardigd. ‘Vanbuiten zijn de Linnfords

    net dat koppel van The Brady Bunch: zij glimlacht en knikt

    wanneer hij spreekt, hij is een en al charme en bezorgd-

    heid.’ Ze snoof opnieuw en zei afgemeten: ‘Ik zou hen ook

    niet geloven als ze me niet steeds zo keurig te woord

    zouden staan. Ik ken Devonte. Hij wil gewoon zijn school

    afmaken, zodat hij een beurs kan aanvragen, gaan studeren

    en voor zichzelf zorgen.’

    Hij knikte nadenkend. ‘Maar waarom heb je mij dan

    gebeld?’ Hij wilde best met dit echtpaar gaan praten. Maar

    als dat alles was wat ze van hem wilde, had ze hem van zijn

    lang-zal-ze-leven niet gebeld, dacht hij. Daar had ze haar

    broers voor.

    ‘Vanwege de foto’s.’ Ze stak de map omhoog.

    Hij moest een paar blokken rijden voor hij een geschikte

    parkeerplek had gevonden. Hij zette de auto stil, maar liet

    de motor aan.

    Hij trok de zes foto’s los uit de paperclip aan de achter-

    kant van de map en spreidde ze voor zich uit. Zijn belang-

    stelling was meteen gewekt en hij wilde dat hij meer dan

    slechts een paar plaatjes had. Wat hij zag, was absoluut

    meer schade dan één doodgewone jongen kon aanrichten:

    het leken er eerder tien te zijn geweest, met voorhamers.

    De gaten in de muren zou iedereen hebben kunnen maken,

    maar die in het drie meter hoge plafond, het grote bureau

    dat in drie delen op zijn kant lag en de versplinterde antieke

    eiken stoel die een poot miste waren interessanter.

  • 48

    ‘De laatste keer dat ik zoiets zag…’ fluisterde Stella.

    Het was waarschijnlijk maar goed dat ze het niet kon

    opbrengen haar zin af te maken. David moest toegeven dat

    het enige dat in dit tafereel nog miste het bloed en de

    afgerukte ledematen waren.

    ‘Hoe oud is die Devonte?’

    ‘Zestien.’

    ‘Kun je me daar binnensmokkelen om de schade te

    bekijken?’

    ‘Nee, ze hebben het al laten repareren.’

    Zijn wenkbrauwen vlogen omhoog. ‘Hoe lang is dit dan

    geleden?’

    ‘Het was op de eenentwintigste, dus drie dagen.’ Ze

    maakte een vaag handgebaar. ‘Ja ja, ik weet het: meestal

    moet je zeker een maand op een aannemer wachten. Maar

    geld doet een hoop. En dat heeft deze vent genoeg.’

    Mm, dat was vreemd. ‘Waarom nemen ze dan een

    pleegkind in huis?’

    Voor het eerst keek ze hem recht in de ogen en knikte

    alsof hij het had begrepen. ‘Als ík hen had gescreend, had

    ik meteen onraad geroken. Rijkelui willen geen bastaardjes

    met een heftig verleden. En als ze dat wel willen, gaan ze

    naar China of Roemenië en adopteren daar een baby om

    tegen te kirren. Nee, als rijkelui een pleegkind in huis

    nemen dan hebben ze daar iets mee voor. Maar ja, wij zijn

    altijd wanhopig op zoek naar pleeggezinnen… en ik was

    niet degene die hen heeft goedgekeurd.’

  • 49

    ‘Je zei dat die jongen niets wil loslaten. Alleen niet tegen

    jou, of tegen iedereen?’

    ‘Iedereen. Sinds het is gebeurd heeft hij geen woord

    meer gezegd. Hij communiceert überhaupt niet meer.’

    In gedachten liep David een aantal van de mogelijk-

    heden na. ‘Is er, behalve de jongen zelf, nog iemand ge-

    wond geraakt?’

    ‘Nee.’

    ‘Zou je het erg vinden als ik nu naar hem toe ging?’

    ‘Nee, graag zelfs.’

    Op haar aanwijzingen reed hij naar het ziekenhuis.

    Toen hij de auto had neergezet en het portier wilde openen,

    greep ze hem bij zijn arm. Het was hun eerste aanraking.

    ‘Zou hij een weerwolf kunnen zijn?’

    ‘Misschien,’ gaf hij toe. ‘Zo’n ravage…’

    ‘Het was net ons huis,’ zei ze zonder hem aan te kijken –

    maar ook zonder haar hand van zijn arm te halen. ‘Ons

    huis, die avond.’

    ‘Maar als hij een weerwolf was, betwijfel ik of die

    meneer Linnford van jou hem had kunnen uitschakelen

    zonder zelf flink gehavend te raken. Misschien is Linnford

    wel de weerwolf.’ Dat zou mooi kloppen: de meeste weer-

    wolven die hij kende – zij die het overleefden – werden

    uiteindelijk rijk. Kinderen krijgen was echter lastiger. Mis-

    schien was dat de reden dat Linnford en zijn vrouw zich

    hadden opgegeven als pleeggezin.

    Stella knikte. ‘Dat dacht ik dus ook! Dat moet het zijn:

    Linnford is een weerwolf. Kun jij dat aan hem zien?’

  • 50

    Hij voelde een zware druk op zijn borstkas. Wat dapper

    van haar: ze had het enige monster dat ze kende erbij

    geroepen, om een ander monster aan te pakken. Het deed

    hem denken aan hoe ze tussen hem en de jongens in was

    gaan staan, om ze zo goed als ze kon te beschermen.

    ‘Laat me eerst met Devonte praten,’ zei hij, terwijl hij de

    grom uit zijn stem probeerde te houden en daar slechts

    matig in slaagde. ‘Dan kan ik me daarna op Linnford

    storten.’

    De gangen van het ziekenhuis waren versierd met lange

    slingers vol rode en groene lampjes. Kerstmis werd elk jaar

    nepper en leek steeds verder te staan van de kerstfeesten

    die David als kind had gevierd.

    Zijn dochter leidde hem kordaat naar de liften,

    onderweg knikkend naar enkele leden van het ziekenhuis-

    personeel.

    Hij haatte het dat zijn kinderen elk jaar ouder werden.

    Hij haatte het zilver in hun haren, dat hem er steeds weer

    aan herinnerde dat de tijd hen uiteindelijk allemaal van hem

    zou afpakken.

    In de lift ging ze zo ver mogelijk van hem af staan, alsof

    hij een wildvreemde was – of een monster. Nou ja, ze ren-

    de tenminste niet gillend voor hem weg.

    Met bitterheid valt niet te leven, wist hij. Zoals de

    meeste onaangename gevoelens maakte bitterheid de wolf

    in hem rusteloos. En rusteloze wolven waren gevaarlijk.

  • 51

    De verpleegkundige bij de balie naast de lift kende Stella

    ook en begroette haar met haar naam. ‘Meneer Linnford

    was hier nog, hij vroeg naar Devonte. Ik heb hem gezegd

    dat hij nog niet bij hem op visite mocht.’ Ze trok er een

    zuinige blik bij: ze nam het Stella blijkbaar kwalijk dat ze

    het deze man zo moeilijk had moeten maken. ‘Wat is dat

    toch een aardige man, dat hij nog steeds om die jongen

    geeft – na wat hij hen heeft aangedaan.’

    Ze overhandigde Stella een klembord, terwijl ze een licht

    nieuwsgierige blik op David wierp. Hij schonk haar zijn

    onschuldigste glimlach; zij glimlachte terug, waarna ze weer

    op het klembord keek dat Stella haar had teruggegeven.

    David kon het van hieraf lezen: Stella Christiansen en gast.

    Tja, zei hij tegen zichzelf, ze kon natuurlijk niet opschrijven

    dat hij haar vader was, terwijl zij er ouder uitzag dan hij.

    ‘Hij mag dan aardig zijn,’ reageerde Stella enigszins kil,

    ‘houd hem toch maar buiten de deur – totdat wij zeker

    weten wat er is gebeurd en waarom.’

    En ze beende weg in de richting van een dubbele deur,

    waarvoor een politieman op een houten stoel in een

    beduimelde paperbackversie van Stephen Kings Cujo zat te

    lezen. ‘Jorge,’ zei ze.

    ‘Stella.’ Hij drukte op een knop, waarna de deur voor

    hen openzwaaide.

    ‘Hij ligt in de beveiligde vleugel,’ vertelde ze David op

    fluistertoon terwijl ze kwiek doorstapte. ‘Niet dat die echt

    superveilig is trouwens. Jorge had jou nooit door mogen

    laten zonder je papieren te controleren.’

  • 52

    Alsof iemand tegen zijn Stella zou durven ingaan, dacht

    David. Als klein meisje al deed iedereen wat ze zei. Hij deed

    zijn best om niet naar haar te glimlachen: ze zou het toch

    niet begrijpen.

    Dit gedeelte van het ziekenhuis rook naar bloed,

    wanhoop en ontsmettingsmiddel. En ook al waren de

    meeste van deze geuren oud, als er echt een nieuwe wolf in

    deze omgeving werd vastgehouden, zou die heel wat meer

    opschudding veroorzaken dan wat hij nu bemerkte. En een

    zestienjarige kon alleen maar een gloednieuwe wolf zijn: als

    ze nog jonger waren overleefden ze de Verandering bijna

    nooit. Hoe dan ook, onderhand zou hij een wolf toch

    moeten ruiken. Hun eerste conclusie was dus correct: dat

    joch van Stella was geen weerwolf.

    ‘Hangen er camera’s in zijn kamer?’ vroeg hij zacht.

    Ze hield even haar pas in. ‘Nee. Dat staat nog op de lijst

    van aanbevolen verbeteringen.’

    ‘Oké. En liggen hier nog meer lui?’

    ‘Momenteel niet,’ zei ze. ‘Dit ziekenhuis ligt niet in de

    buurt van bendeterritoria en volwassen criminelen worden

    op een andere afdeling verpleegd.’

    Ze stapte door een van de openstaande deuren; hij

    volgde haar en sloot de deur meteen achter hen.

    Het was geen privékamer, maar toch was het eerste bed

    leeg. In het tweede lag een jongen naar een van de raamloze

    muren te staren. Zijn gezicht was licht gehavend, een van

    zijn handen zat in het gips. De andere was met een dik

    plastic koord vastgemaakt aan een dikke stang die aan de

  • 53

    muurkant uit het bed stak. Beter dan handboeien, dacht

    David, maar niet veel.

    De jongen keek niet op toen ze binnenkwamen.

    Misschien was het zijn naam of het beeld dat het woord

    ‘pleegkind’ bij hem opriep, maar eerlijk gezegd had David

    gedacht dat Devonte zwart was. In plaats daarvan zag hij

    eruit alsof iemand wel zes verschillende rassen door elkaar

    had gehusseld – maar allemaal Euraziatisch, niet van het

    Duistere Continent. Er zat Indianen- of Aziatisch bloed in

    zijn ogen en die neus zou weleens Joods of Italiaans

    kunnen zijn. Zijn huid zag eruit alsof hij lang in de zon had

    gelegen, maar gezien de tijd van het jaar was het

    waarschijnlijker dat dit zijn gebruikelijke tint was:

    Mexicaans, Grieks of zelfs Indiaas.

    Niet dat het wat uitmaakte trouwens. Hij had allang

    gemerkt dat de tijd langzaam het proces afmaakte dat in

    Vietnam begonnen was: iemands huidskleur of godsdienst

    deden er tegenwoordig voor hem weinig meer toe. En zelfs

    als het wél zo was geweest… zijn dochter had hem om

    hulp gevraagd.

    Stella wierp een blik op haar vader. Omdat ze hem niet

    kende, wist ze ook niet of hij door Devontes demon-

    stratieve bokkigheid heen kon kijken – en de angst erachter

    kon zien. Aan zijn uitdrukkingsloze gezicht en kaarsrechte

    soldatenhouding kon ze niets afleiden. Ze had aardig wat

    mensenkennis, maar haar eigen vader kende ze niet meer.

    Ze had hem niet meer gezien sinds… die ene avond.

  • 54

    Omdat ze er een ongemakkelijk gevoel van kreeg, richtte ze

    haar aandacht maar gauw op de andere persoon in de

    ruimte.

    ‘Hé, jochie!’

    Devontes blik bleef strak op de muur gericht.

    ‘Ik heb iemand voor je meegebracht.’

    Haar vader wierp een onderzoekende blik op de jongen,

    keek toen op en ademde luid in door zijn neus. ‘Waar zijn

    de kleren die hij aanhad toen hij hier werd binnengebracht?’

    vroeg hij.

    Eindelijk had hij Devontes aandacht. Stella was zo blij

    met diens reactie dat haar antwoord even op zich liet

    wachten.

    Haar vaders oog viel op een kastje. Hij beende erheen

    en trok het deurtje open. Hij haalde er een plastic tas met

    kleren uit en zei, met opzet zo nonchalant mogelijk:

    ‘Linnford is vandaag naar je komen informeren.’

    Devonte werd muisstil.

    Stella wist niet precies waar dit naartoe ging, maar

    sprong er alvast tussen om te helpen. ‘Ik hoorde van de

    politie dat hij heeft besloten geen aangifte te doen. Ze

    brengen je straks naar een kamer met uitzicht. En morgen

    heb ik een vergadering over wat er met je gebeurt zodra je

    hier wordt ontslagen.’

    Devonte opende zijn mond maar sloot hem meteen

    weer.

    David stak zijn neus in de plastic tas en zei toen zacht:

    ‘Waarom ruiken jouw kleren naar vampier, knul?’

  • 55

    Devonte keek hem aan, met grote ogen van schrik.

    Opnieuw opende hij zijn mond.

    Ditmaal vermoedde Stella dat hij zweeg omdat hij

    daadwerkelijk niets kon uitbrengen. Ze was zelf ook best

    geschrokken van dat ‘vampier’. Maar ze zou waarschijnlijk

    ook niet in weerwolven hebben geloofd als haar vader er

    niet eentje was geweest. ‘Ik eh… heb jullie nog helemaal

    niet aan elkaar voorgesteld,’ mompelde ze. ‘Devonte, dit is

    mijn vader. Ik heb hem gebeld meteen nadat ik de foto’s

    van de plaats delict had gezien. Hij is een weerwolf.’ Als

    Devonte werkelijk problemen met vampiers had, was een

    weerwolf misschien zo erg nog niet.

    De treurige blauwgrijze stoel met de gescheurde

    kunstleren zitting die naast zijn bed had gestaan vloog vlak

    langs haar, in de richting van haar vader – die hem simpel-

    weg opving, waarna hij de jongen een belangstellende

    glimlach schonk. ’Je hebt hem zeker verrast, hè? Zo vaak

    tref je geen tovenaar.’

    ‘Tovenaar?’ piepte Stella (en ze baalde ervan hoe suf ze

    klonk).

    Haar vaders glimlach werd wat breder. Ze herinnerde

    zich die lach uit haar jeugd, wanneer zij of een van haar

    broers iets opvallend slims hadden gedaan. Maar ditmaal

    was hij voor Devonte bedoeld.

    Haar vader speelde een beetje met de stoel, die hij nog

    steeds vasthield. ‘De kracht van een heks concentreert zich

    op lichamen en gedachten, vlees en bloed. Een tovenaar

    heeft macht over de fysieke –’

  • 56

    Het lege bed knalde tegen de muur met het openstaande

    kastje. Het deurtje boog om, er verscheen een grote scheur

    in de dunne muur. Haar vader stond er veilig voor. Ze

    besefte nu pas dat hij eroverheen moest zijn gesprongen.

    Hij had de stoel nog steeds beet, maar zijn glimlach was nu

    een brede grijns. ‘Leuk geprobeerd, knul. Maar ik ben je

    vijand niet.’ Hij keek hoofdschuddend naar de klok aan de

    muur. ‘Ze moeten dat ding eens goed zetten. Weet jij hoe

    laat het is?’

    Er vloog geen meubilair meer door de kamer.

    Zuchtend haalde haar vader zijn mobieltje tevoorschijn

    en keek erop. ‘Halfzeven. Het is al donker buiten. Hoe erg

    heb je hem verwond met die stoel van de foto?’

    Devonte zat bijna te hyperventileren, maar Stella

    onderdrukte de neiging om naar hem toe te gaan. Ze

    hoopte dat haar vader wist wat hij deed. Ze rilde, ook al

    droeg ze haar favoriete wollen pak en was het behoorlijk

    warm in het ziekenhuis. Hoeveel zou er waar zijn van alle

    verhalen die ze over vampiers had gehoord?

    Devonte zuchtte diep. ‘Niet erg genoeg.’

    Zonder enige overgang vroeg haar vader hem: ‘Wie

    heeft je dat eigenlijk geleerd, om helemaal niets meer te

    zeggen als je een geheim moet bewaren?’

    ‘Mijn oma. Haar moeder heeft Dachau overleefd omdat

    de Amerikaanse troepen net op tijd kwamen – én omdat ze

    haar mond hield toen de Nazi’s informatie wilden.’

  • 57

    Haar vaders gezicht werd zachter. ‘Dappere vrouw. Was

    zij soms de zigeunerin? De meeste tovenaars hebben op

    zijn minst een beetje zigeunerbloed.’

    De jongen trok zijn schouders op en begon druk met

    zijn handen door zijn gezicht te wrijven.

    Stella herkende dit gebaar van wel honderd andere

    kinderen: hij probeerde niet in huilen uit te barsten.

    ‘Stella zei dat je een weerwolf bent.’

    Haar vader hield zijn hoofd schuin, alsof hij iets afwoog.

    ‘En Stella liegt niet.’ Geheel onverwacht zocht hij haar blik

    en hield hem vast. ‘Ik weet niet of we vanavond nog een

    vampier op bezoek krijgen – dat hangt er vanaf hoe erg

    Devonte hem heeft verwond.’

    ‘Haar,’ zei Devonte, ‘het was een zij.’

    Stella’s blik nog steeds vasthoudend verbeterde haar

    vader zich: ‘Haar. Je moet haar flink hebben toegetakeld,

    dat ze hier nog steeds niet is geweest. En dat betekent

    waarschijnlijk ook dat we geluk hebben en dat ze alleen is.

    Als er nog meer waren geweest hadden die zich gisteren of

    eergisteren al laten zien: ze kunnen het zich niet

    veroorloven Devonte in leven te laten met wat hij van hen

    weet. Als vampiers hun getuigen altijd gewoon hadden

    laten leven, zouden ze niet al zo lang bestaan.’

    ‘Niemand zou me hebben geloofd,’ prevelde Devonte.

    ‘Ze zouden me voorgoed hebben opgesloten.’

    Eindelijk liet haar vader Stella’s blik los en richtte zich

    weer op Devonte.

  • 58

    De jongen rechtte zijn rug onder de druk – Stella wist

    precies hoe hij zich voelde.

    ‘Is dat wat Linnford je heeft verteld, toen de buren

    kwamen kijken waar die herrie vandaan kwam?’ vroeg haar

    vader zacht. ‘Bewoners van luxe appartementen negeren

    vreemde geluiden niet zo gauw. Is dat waarom je met

    zoveel meubilair hebt gesmeten? Slim van je, knul.’

    Devonte knikte – en maakte zijn rug nog wat rechter

    onder Davids lof.

    ‘Maar de volgende keer dat je wordt aangevallen door

    een vampier en het lukt je niet hem te doden, moet je het

    van de daken schreeuwen. Misschien dat je voor de rest van

    je leven naar een psycholoog wordt gestuurd, maar de

    vampiers zullen je voortaan mijden als de pest. Dus… als

    ze vanavond niet komt, stap jij met je verhaal naar de

    krant.’ Hij wierp een blik op Stella, die knikte.

    ‘Ik ken wel wat journalisten,’ zei ze. ‘“Jongen Claimt

    Aanval door Vampier” – dat zou toch goed moeten zijn

    voor een paar forse koppen.’

    ‘Oké.’ Haar vader draaide zich weer naar haar. ‘Jij moet

    nu deze kamer uit gaan en hout voor ons zoeken: een stoel,

    een tafel, wat dan ook om een paar staken van te kunnen

    maken.’

    ‘En wijwater?’ opperde Devonte. ‘Misschien hebben ze

    hier wel een kapel.’

    ‘Slim,’ zei David. ‘Maar van wat ik heb gehoord, richt

    dat niet voldoende schade aan om er erg veel moeite voor

    te doen. Ga maar gauw, Stella – en wees voorzichtig.’

  • 59

    Ze wilde hem eigenlijk plagerig salueren, maar ver-

    trouwde hem daar nog niet goed genoeg voor, dus liet ze

    haar arm gauw weer zakken.

    Hij zag het toch, glimlachte en draaide zich toen weer

    naar Devonte. ‘En jij… jij gaat mij nu alles vertellen wat je

    van deze vampier weet.’

    Stella gluurde in de kamer